Konstantinos Kavafis (1863-1933)

OROFERNES

Hij, op het vierdrachmenstuk, wiens gezicht,
het mooie fijnbesneden gezicht,
schijnt te glimlachen,
dat is Orofernes van Ariarathos.

Als kind joegen ze hem uit CappadociŽ
uit het grote paleis van zijn vader
en stuurden hem naar IoniŽ om op te groeien, om vergeten
te worden bij de buitenlanders.

Ah wonderbaarlijke nachten van IoniŽ
waar hij zonder vrees het pure,
en trouwens volledig Griekse genot leerde kennen.
In zijn hart was hij altijd een Aziaat;
maar in manieren en taal een Griek,
met turkoois gesierd, in Griekse dracht,
zijn lichaam geparfumeerd met jasmijnolie
en van de mooie jongens van IoniŽ
was hij de mooiste, de meest ideale.

Later toen de SyriŽrs in CappadociŽ kwamen
en hem koning maakten
stortte hij zich op het koningsschap
om op een nieuwe manier van elke dag te genieten
om goud en zilver te roven
en om te genieten, en trots te zijn
als hij de opgestapelde rijkdommen zag schitteren.
Wat betreft bestuur, zorg voor het land -
hij wist zelfs niet wat er om hem heen gebeurde.

De CappadociŽrs gooiden hem er vlug uit
en hij kwam in SyriŽ terecht, in het paleis
van Demetrius om te feesten en te luieren.

Maar op een dag onderbraken
ongewone gedachten zijn grote nietsdoen.
hij herinnerde zich dat hij via zijn Antiocheense moeder,
en die via de oude Stratoniki, ook zelf
van de kroon van SyriŽ afstamde
en bijna een Seleucide was.
Even ontwaakte hij uit wellust en dronkenschap
en onbekwaam en half verdoofd
probeerde hij iets in gang te zetten,
iets te doen, iets te bekokstoven
en het mislukte jammerlijk en werd tenietgedaan.

Zijn einde is vast wel ergens beschreven en verloren gegaan
of misschien is de geschiedenis eraan voorbijgegaan,
en heeft, terecht, zoiets onbelangrijks
niet waardig geacht om op te tekenen.

Hij die op het vierdrachmenstuk
de gratie achterliet van zijn mooie jeugd,
het licht van zijn poŽtische schoonheid,
de esthetische herinnering aan een Ionische jongeling,
dat is Orofernes van Ariarathos.

DE VOETSTAPPEN

Op een ebbenhouten bed versierd
met adelaars van koraal, slaapt diep
Nero – buiten bewustzijn, rustig en gelukkig:
blakend in zijn gezonde vlees
en in de mooie strakheid van de jeugd.

Maar hoe onrustig zijn zijn Laren
in de zaal waarin het oude lararium
van de Aenobarben staat.
De kleinen huisgoden beven,
en proberen hun onaanzienlijke lijfjes te verbergen.
Want ze hoorden een afschuwelijk geluid,
een dodelijk geluid de trap opgaan,
ijzeren voetstappen die de treden doen schudden.
En nu vallen de arme Laren bijna in onmacht
en verbergen zich achterin het lararium,
ze vallen en trappen op elkaar,
de ene kleine god struikelt over de andere
want ze begrepen wat voor een geluid dat was,
ze raadden de voetstappen van de Erinyen.


Kostas Kariotakis (1896-1928)

PREVEZA

Dood is de kraaien die vechten
op de zwarte muren en de dakpannen,
dood de vrouwen die vrijen
alsof ze uien schoonmaken.

Dood de vuile achterafstraten
met hun schitterende, grote namen,
de olijfgaard, de zee rondom, en ook nog
de zon, dood onder de doden.

Dood is de politieman die zich buigt
om een ‘gewichtstekort’ te wegen;
dood zijn de viooltjes op het balkon
en de schoolmeester met de krant.

Basis, Wachtpost, Autoriteit van Prťveza.
Zondag zullen we de kapel horen.
Ik nam een spaarbankboekje,
eerste inleg dertig drachmen.

Langzaam op de kade lopend,
‘Ik besta’, zeg je, en dan ‘ik besta niet’.
Het schip loopt binnen. De vlag hoog in top.
Misschien komt de heer Gouverneur.

Als tenminste, van deze mensen,
iemand zou sterven van schaamte …
Zwijgend, diepbedroefd, waardig,
zouden we allen ons vermaken op de begrafenis.


IŠkovos Kambanellis (1922)

         MAUTHAUSEN-cyclus

LIED DER LIEDEREN

Hoe mooi is mijn liefste
met haar daagse jurk
en een speldje in haar haar
niemand wist hoe mooi ze was.

Meisjes van Auschwitz,
Meisjes van Dachau,
heb je soms mijn liefste gezien?

We zagen haar op een verre reis,
haar jurk had ze niet meer,
en ook geen speldje in heur haar.

Hoe mooi is mijn liefste,
die verwend werd door haar moeder
en de kussen van haar broer,
niemand wist hoe mooi ze was.

Meisjes van Mauthausen,
meisjes van Belsen,
heb je soms mijn liefste gezien?

We zagen haar op een koud plein
met een nummer op haar blanke arm
met een gele ster op het hart.

Hoe mooi is mijn liefste,
die verwend werd door haar moeder
en de kussen van haar broer,
niemand wist hoe mooi ze was.

ANDONIS

Daar op de brede trap,
op de trap der tranen,
in de Wienergraben,
in de steengroeve van het weeklagen

lopen joden en partizanen,
vallen joden en partizanen,
rotsblokken slepen ze op hun rug,
rotsblokken, het kruis van de dood.

Daar hoort Andonis een stem,
de stem, de stem:
oh, kameraad, oh, kameraad,
help me de trap op te klimmen.

Maar daar op die brede trap,
de trap der tranen,
zulke hulp is een ongeluk,
zulk medelijden is een vloek

De jood valt op de trede
en de trap kleurt rood.
Jij, sterke kerel, kom hier,
draag het dubbele rotsblok,

Ik neem er twee, ik neem er drie
ik ben Andonis
en als je een man bent, kom dan hier,
op de marmeren dorsvloer.

DE ONTSNAPTE

Jannos Ber uit het noorden
houdt het achter prikkeldraad niet uit,
hij vat moed en breekt uit
en rent naar de dorpen in de vlakte
en rent naar de dorpen in de vlakte.

geef me, vrouw, een beetje brood
en kleren om me om te kleden,
ik heb een lange weg te gaan
over meren moet ik vliegen
over meren moet ik vliegen.

Waar hij gaat en staat
heersen schrik en angst,
en een stem, een vreselijke stem:
-verberg je, verberg je voor de ontsnapte!
verberg je, verberg je voor de ontsnapte!

Ik ben geen moordenaar, christenen,
geen beest, dat jullie verslindt
Ik ben uit de gevangenis gevlucht
om naar huis te gaan
om naar huis te gaan.

Ach! wat een doodswoestijn
in het land van Bertold Brecht.
Ze geven Jannos aan de SS,
ter dood brengen ze hem nu
ter dood brengen ze hem nu.

ALS DE OORLOG OVER IS

Jij meisje met je betraande ogen,
jij meisje met je ijskoude handen,
als de oorlog over is, vergeet mij niet,
als de oorlog over is, vergeet mij niet.
Jij, vreugde der wereld, kom naar de poort,
opdat we elkaar op straat omarmen,
opdat we elkaar op het plein kussen.

Jij meisje met je betraande ogen,
jij meisje met je ijskoude handen,
als de oorlog over is, vergeet mij niet,
als de oorlog over is, vergeet mij niet.
opdat we in het graf elkaar liefhebben,
in de gaskamers,
op de trap voor de mitrailleurs.

Jij meisje met je betraande ogen,
jij meisje met je ijskoude handen,
als de oorlog over is, vergeet mij niet,
als de oorlog over is, vergeet mij niet.
Elkaar liefhebben midden op de dag,
op alle plaatsen van de dood,
totdat zijn schaduw is verdwenen.

Wat is ze mooi, mijn liefste,
gekoesterd door haar moeder
en van de kussen van haar broer
Niemand heeft geweten, dat ze zů mooi is!


Ńngelos Sikelianůs (1884–1951)

MARS VAN DE GEEST

Deel 1.

Zo, toen ik de lans in de haard wierp
Lans van mijn in de tijd gesloten leven,
In de haard van je nieuwe Vrijheid, Griekenland,
Werd mijn geest plots verlicht
Als was het heelal van brons,
Of alsof ik de heilige cel van Heraklitus om me heen had,
Waar hij jaren lang zijn gedachten op brons schreef
En ze als wapenrusting in de tempel van Efese hing.